Gootspoken

Waar de gootspoken vandaan komen? Van hun moeder natuurlijk. De moeder der gootspoken bevindt zich, met enkelen van haar kleintjes, in de Agnietenstraat Zaltbommel. Op 14 juli 2011 bij de Agnietentuin heeft Johan Cahuzak het verhaal verteld van hoe de vork nou werkelijk aan de steel zit.

Hier zijn verhaal tijdens de onthulling: 

Gootspoken

Door heel Zaltbommel zitten gootspoken. Ook op dit appartementencomplex dat vandaag officieel geopend wordt. Het verhaal gaat dat Joris Baudoin er iets mee van doen heeft. (Baudoin is in het Nederlands Boudewijn, U kent de Autoroute Roi Baudoin tussen Luik en Verviers? Wel, die is naar Joris vernoemd, de koning van de gootspoken.) Joris is een kunstenaar hier uit de regio die landelijk bekendheid geniet vanwege zijn gootspoken en zijn creaties in beton. Joris Beton wordt hij ook wel genoemd. Als u het volgende verhaal gehoord heeft, weet u hoe de vork werkelijk aan de steel zit. Dan zult u nooit meer zomaar langs het Agnietengootspook lopen. En dan zult u u aanstonds eens naar het Zaltbommelse Stadmuseum spoeden om de andere drie ketels te gaan aanschouwen. Drie ketels, die hier opgegraven zijn tijdens de bouwwerkzaamheden. Vandaag hoort u waar ze vandaan komen en hoe dat iets met gootspoken te maken heeft. En waar die ene ketel gebleven is want er werden er vier in de drek gegooid.
Het was onwaarschijnlijk koud. De stad lag onder een deken van sneeuw te rillen. Het zilveren licht van de maan kraste in de schaars verlichte straten. Alle ziel en zaligheid was weg gevroren. De burgers zaten binnen, geen hond op straat. Hoog opgetast lag het ijs in ruwe schotsen op de uiterwaarden. Tot vlak voor de Waterpoort was het al opgeschoven. De veerlui hadden met zand een pad over de Waal gemaakt. De stad was kwetsbaar. En niet alleen vanwege de kou. Er hing een nieuwe tijd in de lucht. Al een paar decennia en ook in Zaltbommel kwamen die geluiden druppelsgewijs binnen. De oude Moederkerk lag onder vuur, toen ook al, maar verdedigde zich met hand en tand. Een tiental jaren geleden was er in Delft een prins doodgeschoten. Zijn dood echode na, zijn denkbeelden ook. Want hoewel hij, naar goede familietradities eeuwen later, ook een charlatan was, spraken zijn gedachten velen aan. Zelfs in Zaltbommel waren er mensen die voelden dat er meer vrijheid was, dat er ruimte kwam voor de individuele mens. Zelf denken, zelf lezen, zelf beslissen. Maar dat dat niet zonder slag of stoot zou gaan, was de overtuiging van menigeen.

En daarom zat Willem de Pot somber naar zijn vrouw Aagje te kijken. Hun huis bij de Gamersche poort was niet groot maar uit de inrichting bleek dat Willem goed boerde. Zijn handel in potten en pannen floreerde. Willem was een gedreven man. Toen hij de zaak van zijn vader overnam, was het een bron van inkomsten die ternauwernood genoeg opleverde. Maar nu, nog geen tien jaar verder, was Willem rijk. Ja, gewoon rijk. Je zag het niet aan hem maar hij was het wel. Diep in zijn hart echter wist ie dat Aagje feitelijk de drijvende kracht achter de handel was. Aagje met haar scherpe blik, en haar minstens zo scherpe tong. Aagje die van nature nieuwsgierig was en zodoende alles wist. Aagje die al snel zelf kon lezen en zich de meest moderne pamfletten eigen maakte. Aagje die Willem er dan uit voorlas. En Aagje die meer en meer neigde naar de nieuwe leer. Aagje die zelfs wel eens opperde dat ze de bijbel wilde lezen. Aagje tenslotte die zelfs al wist waar die heilige woorden in de volkstaal te koop waren.

Ze spraken over de nieuwe tijd en de onrust die dat bracht. Willem was bang, bang voor zijn bedrijf, bang voor zijn huis, bang voor zijn geld maar vooral bang voor de duivel. Al die nieuwlichterij, dat kon toch niet goed gaan. Maar hij hield zielsveel van zijn Aagje. Dat bracht hem in een dilemma: Aagje of de oude Moederkerk. Trouw deed hij zijn religieuze plichten. Meer dan dat zelfs, hij ging regelmatig naar de kapel van het Agnietenklooster om nog meer geestelijk voedsel tot zich te nemen. Het bluste de brand in zijn hoofd echter niet. Willem de Pot leek in de zaken een krachtig man maar des nachts in zijn bed, lag hij te woelen. Zelfs als hij de rustige ademhaling van zijn vrouw naast zich hoorde.
En op die koude avond legde hij haar zijn problemen voor. Hortend en stotend vertelde hij waar hij bang voor was. Aagje luisterde geduldig en sprak toen Willem zweeg: Dat wist ik al jongen. En ik weet ook dat het met jouw zielenrust wel goed komt.
Willem keek haar aan met eindeloos droeve ogen. Aagje wreef voorzichtig over zijn gezicht. Dat hielp. Iets van die oude Willem kwam weer tevoorschijn. De zakenman stond op en sprak: Wij moeten nadenken over onze bezittingen. Als we niets doen, zijn we het zomaar kwijt. Aagje wist dat hij doelde op de twee bronzen en twee koperen potten die hij zag als de basis van zijn bedrijf. Als hij die maar had, dan kwam het wel goed. Maar zowel brons als koper was een geliefd materiaal zeker in tijden van oorlog. En al pratend kwamen ze tot de conclusie dat er iets moest gebeuren. De potten moesten weg. Als symbool maar ook wel als appeltje voor de dorst. Aagje brak haar hersenen over een oplossing. De kelder, het schuurtje, ergens buiten, alles werd overdacht. Niets voldeed. Opeens klaarde het gezicht van Willem op: bij de Agnieten, schreeuwde hij bijna. Naast de kapel is een beerput. (Wist Willem veel dat de combinatie kapel-beerput aan het begin van de 21 ste eeuw op ieders lip lag) En als ik die vier potten in die beerput kieper, zal niemand ze vinden. Maar wordt die put dan niet leeggehaald? Dat was de praktische Aagje. Jawel, zei Willem maar nooit helemaal. En bovendien is dat pas gebeurd. Hij herinnerde zich de doordringen geur van Agnietenpoep die laatstelijk in de kapel hing. Onze ketels zijn behoorlijk zwaar, die zakken zo de drek in. Hij lachte want hij zag de nonnen van het klooster voor zich. Zij zouden door hun stofwisseling hem helpen. Willems hemel klaarde op hoewel het bijna middernacht was. Aagje opperde niet naar bed te gaan maar de zaken nu te regelen. Willem schrok, hij ging zelden in het donker de stad in. De verhalen over gevaarlijke gootspoken waren hem door zijn moeder al verteld. En Willem beweerde bij hoog en bij laag dat hij ze regelmatig zag en dat ze vervaarlijk naar hem loerden als hij beneden over de straat liep. Aagje wuifde zijn angsten weg: Wanneer word je nu eens een grote jongen? Wat wil je nu? Overdag met jouw potten over straat? Ze had haar jas al aan. Willem sjokte achter haar aan; ze had weer gelijk. Toen hij in de opkamer kwam, zag hij de zwakke glans van zijn lievelingen. Voorzichtig wreef hij over het koele metaal. Aagje was wat praktischer, ze pakte ze beet, en deed ze in elkaar. Paste precies, nu was het net of er maar eentje was. Al met al waren ze zo zwaar dat ze ze samen moesten dragen. Voorzichtig gingen ze de straat op. Er lagen marktkramen op de straat. Maandagavond dus. In de vijandige kou was niemand te zien. Willem rilde. Hij wist zelf niet of het van de kou of van angst was. Ze liepen langs de huizen van de Gamersestraat. De huizen stonden (en staan) daar in een lange rij. De Woonlinie, noemde Aagje het daar altijd. Het vroor dat het kraakte. Willem werd banger en banger. Hij vond het steeds meer een onzalig plan. Plotseling duwde Aagje hem in een portiek. Ze had iets onbekends gehoord. Willem zag al een leger gootspoken op zich afkomen maar het bleek de stadszwerver te zijn. Hij kreunde toen Aagje tegen hem duwde, de vreemde ketting die hij omhad, rinkelde. Het was een lange, kale man met een versleten jas aan. In zijn zwerversslaap mompelde hij: Utrecht, Utrecht. En even later begon hij zelfs onverstaanbare dingen te brabbelen: Geef me mijn hockeystick dan mep ik ze eruit. Zelfs Aagje keek verbaasd op. De man sprak klaarblijkelijk een andere taal. Maar ze wist dat ie wel groot was en ook een grote mond had maar verder niets deed. Voorzichtig trokken ze verder.

Er waren dus toch nog wel mensen die de kou durfden trotseren. Het maakte Willem en Aagje des te voorzichtiger. Ze hielpen elkaar waar ze konden: Hulp naar vermogen. Ze kwamen steeds dichter bij het klooster. Aagje moest denken aan de commotie die de bouw had gegeven. Aanvankelijk wilde men het veel hoger maken, bijna hoger dan de kerk. De bouwheer had daar een prachtige verklaring voor die niemand begreep. Er kwam protest uit de stad. Willem had dat nog geleid en zodoende was het klooster nu wat bescheidener. Het wist zijn plaats. Ze waren bijna bij de kapel toen Willem en Aagje plotseling een vogel hoorden. In de ijskoude winternacht klonk nota bene een wielewaal! Aagje vouwde haar handen uit dank voor dit geschenk dat ze zag als een aanmoediging uit de hemel. Willem kroop in elkaar, hij zag alleen maar gootspoken. En inderdaad, er liep er eentje achter hem aan.
De beerput van het klooster was gemakkelijk te vinden. Met enige moeite wrikte het echtpaar de steen eraf. Hij zat lelijk vastgevroren. Ondanks de kou kwam er een duivelse lucht uit de put. Willem keek naar zijn geliefde potten. Als hij alleen was geweest, was hij ongetwijfeld terug gegaan. Aagje wreef de potten nog een keer flink op. Daardoor dachten archeologen later dat ze er warm in gegooid waren. Wisten zij veel. De drab sloot zich vanzelf. De beerput niet. De zware steen liet zich maar moeilijk manoeuvreren. Moe vingen ze de terugtocht aan. Gelukkig zag Willem niet dat achter de muur van de kapel een gootspook hen ongeduldig nakeek.
Ze waren nog maar nauwelijks weg of die kwam tevoorschijn. Snel ging zij naar de put. Met een flinke stok schoof zij de steen opzij. En met diezelfde stok roerde zij in de Agnietenpoep. Zo fijn als maar zijn kon. Haar stok stootte al snel op de grootste pot. En die viste zij met veel moeite uit de put. Druipend stond hij voor haar. De druppels bevroren direct op de grond. Dat deerde het gootspook niet. Zij wrikte het vieze ijs er af en opeens glom de pot alsof hij zojuist door Aagje gepoetst was. Dat kon helemaal niet want die lag net in bed.
Het gootspook strooide wat poeder in de pot, met wat steentjes en schonk er een halve fles wijn bij. En op de plek, tweederde tussen het kwart van de halve lengte van de afstand tussen de Agnietenkapel en het koor van de Sint-Maarten, hier precies op deze plek, begon de pot plotseling te borrelen. Er verscheen een man met een werkjas, wat donker, grijzig haar en een bril. Achter zich aan trok hij een apparaat waar we pas veel later van wisten dat het een betonmolen was. Hij overzag het tafereel en legde alles vast in zijn geheugen. Even dacht hij erover om er elke week een schilderijtje van te maken maar dat leek hem te gek. Dat kon later nog wel.
Het gootspook bleek allervriendelijkst te zijn. De betonman werd uitgebreid voorgelicht over de bronzen pot met de magische krachten. En het verhaal dat uit deze pot alle Zaltbommelse gootspoken komen, ging er in als koek. Van deze pot, zo sprak het gootspook, van deze pot maakte ik destijds de kraampot. Met poeder, wijn en wat steentjes maak ik dan gootspoken, Zaltbommelse gootspoken. Het zullen er tientallen worden. Let maar eens op! En de betonman dacht na. Hij dacht diep na, dit verhaal raakte hem, dit verhaal greep hem. Hij zag het voor zich. Kijk, daar!

moedergootspook

twee koppies  

De eerste gootspookjes (tevens naamgevers) zijn in 1994 opgedoken tussen twee puntgevels, in de Kloosterstraat te Zaltbommel. De opdrachtgever leek het een leuk idee om, naar aanleiding van de vis op het paaltje (1993) in de Kerkstraat, iets op zijn huis te zetten. Die vis (onder) is inmiddels verhuisd naar Putten.

 vis op paal


terugvooruit