En
daarom zat Willem de Pot somber naar zijn vrouw Aagje te kijken. Hun
huis bij de Gamersche poort was niet groot maar uit de inrichting bleek
dat Willem goed boerde. Zijn handel in potten en pannen floreerde.
Willem was een gedreven man. Toen hij de zaak van zijn vader overnam,
was het een bron van inkomsten die ternauwernood genoeg opleverde. Maar
nu, nog geen tien jaar verder, was Willem rijk. Ja, gewoon rijk. Je zag
het niet aan hem maar hij was het wel. Diep in zijn hart echter wist ie
dat Aagje feitelijk de drijvende kracht achter de handel was. Aagje met
haar scherpe blik, en haar minstens zo scherpe tong. Aagje die van
nature nieuwsgierig was en zodoende alles wist. Aagje die al snel zelf
kon lezen en zich de meest moderne pamfletten eigen maakte. Aagje die
Willem er dan uit voorlas. En Aagje die meer en meer neigde naar de
nieuwe leer. Aagje die zelfs wel eens opperde dat ze de bijbel wilde
lezen. Aagje tenslotte die zelfs al wist waar die heilige woorden in de
volkstaal te koop waren.
Ze
spraken over de nieuwe tijd en de onrust die dat bracht. Willem was
bang, bang voor zijn bedrijf, bang voor zijn huis, bang voor zijn geld
maar vooral bang voor de duivel. Al die nieuwlichterij, dat kon toch
niet goed gaan. Maar hij hield zielsveel van zijn Aagje. Dat bracht hem
in een dilemma: Aagje of de oude Moederkerk. Trouw deed hij zijn
religieuze plichten. Meer dan dat zelfs, hij ging regelmatig naar de
kapel van het Agnietenklooster om nog meer geestelijk voedsel tot zich
te nemen. Het bluste de brand in zijn hoofd echter niet. Willem de Pot
leek in de zaken een krachtig man maar des nachts in zijn bed, lag hij
te woelen. Zelfs als hij de rustige ademhaling van zijn vrouw naast
zich hoorde.
En op die koude avond legde hij haar
zijn problemen voor. Hortend en stotend vertelde hij waar hij bang voor
was. Aagje luisterde geduldig en sprak toen Willem zweeg: Dat wist ik
al jongen. En ik weet ook dat het met jouw zielenrust wel goed komt.
Willem
keek haar aan met eindeloos droeve ogen. Aagje wreef voorzichtig over
zijn gezicht. Dat hielp. Iets van die oude Willem kwam weer
tevoorschijn. De zakenman stond op en sprak: Wij moeten nadenken over
onze bezittingen. Als we niets doen, zijn we het zomaar kwijt. Aagje
wist dat hij doelde op de twee bronzen en twee koperen potten die hij
zag als de basis van zijn bedrijf. Als hij die maar had, dan kwam het
wel goed. Maar zowel brons als koper was een geliefd materiaal zeker in
tijden van oorlog. En al pratend kwamen ze tot de conclusie dat er iets
moest gebeuren. De potten moesten weg. Als symbool maar ook wel als
appeltje voor de dorst. Aagje brak haar hersenen over een oplossing. De
kelder, het schuurtje, ergens buiten, alles werd overdacht. Niets
voldeed. Opeens klaarde het gezicht van Willem op: bij de Agnieten,
schreeuwde hij bijna. Naast de kapel is een beerput. (Wist Willem veel
dat de combinatie kapel-beerput aan het begin van de 21 ste eeuw op
ieders lip lag) En als ik die vier potten in die beerput kieper, zal
niemand ze vinden. Maar wordt die put dan niet leeggehaald? Dat was de
praktische Aagje. Jawel, zei Willem maar nooit helemaal. En bovendien
is dat pas gebeurd. Hij herinnerde zich de doordringen geur van
Agnietenpoep die laatstelijk in de kapel hing. Onze ketels zijn
behoorlijk zwaar, die zakken zo de drek in. Hij lachte want hij zag de
nonnen van het klooster voor zich. Zij zouden door hun stofwisseling
hem helpen. Willems hemel klaarde op hoewel het bijna middernacht was.
Aagje opperde niet naar bed te gaan maar de zaken nu te regelen. Willem
schrok, hij ging zelden in het donker de stad in. De verhalen over
gevaarlijke gootspoken waren hem door zijn moeder al verteld. En Willem
beweerde bij hoog en bij laag dat hij ze regelmatig zag en dat ze
vervaarlijk naar hem loerden als hij beneden over de straat liep. Aagje
wuifde zijn angsten weg: Wanneer word je nu eens een grote jongen? Wat
wil je nu? Overdag met jouw potten over straat? Ze had haar jas al aan.
Willem sjokte achter haar aan; ze had weer gelijk. Toen hij in de
opkamer kwam, zag hij de zwakke glans van zijn lievelingen. Voorzichtig
wreef hij over het koele metaal. Aagje was wat praktischer, ze pakte ze
beet, en deed ze in elkaar. Paste precies, nu was het net of er maar
eentje was. Al met al waren ze zo zwaar dat ze ze samen moesten dragen.
Voorzichtig gingen ze de straat op. Er lagen marktkramen op de straat.
Maandagavond dus. In de vijandige kou was niemand te zien. Willem
rilde. Hij wist zelf niet of het van de kou of van angst was. Ze liepen
langs de huizen van de Gamersestraat. De huizen stonden (en staan) daar
in een lange rij. De Woonlinie, noemde Aagje het daar altijd. Het vroor
dat het kraakte. Willem werd banger en banger. Hij vond het steeds meer
een onzalig plan. Plotseling duwde Aagje hem in een portiek. Ze had
iets onbekends gehoord. Willem zag al een leger gootspoken op zich
afkomen maar het bleek de stadszwerver te zijn. Hij kreunde toen Aagje
tegen hem duwde, de vreemde ketting die hij omhad, rinkelde. Het was
een lange, kale man met een versleten jas aan. In zijn zwerversslaap
mompelde hij: Utrecht, Utrecht. En even later begon hij zelfs
onverstaanbare dingen te brabbelen: Geef me mijn hockeystick dan mep ik
ze eruit. Zelfs Aagje keek verbaasd op. De man sprak klaarblijkelijk
een andere taal. Maar ze wist dat ie wel groot was en ook een grote
mond had maar verder niets deed. Voorzichtig trokken ze verder.
Er
waren dus toch nog wel mensen die de kou durfden trotseren. Het maakte
Willem en Aagje des te voorzichtiger. Ze hielpen elkaar waar ze konden:
Hulp naar vermogen. Ze kwamen steeds dichter bij het klooster. Aagje
moest denken aan de commotie die de bouw had gegeven. Aanvankelijk
wilde men het veel hoger maken, bijna hoger dan de kerk. De bouwheer
had daar een prachtige verklaring voor die niemand begreep. Er kwam
protest uit de stad. Willem had dat nog geleid en zodoende was het
klooster nu wat bescheidener. Het wist zijn plaats. Ze waren bijna bij
de kapel toen Willem en Aagje plotseling een vogel hoorden. In de
ijskoude winternacht klonk nota bene een wielewaal! Aagje vouwde haar
handen uit dank voor dit geschenk dat ze zag als een aanmoediging uit
de hemel. Willem kroop in elkaar, hij zag alleen maar gootspoken. En
inderdaad, er liep er eentje achter hem aan.
De beerput van het klooster was
gemakkelijk te vinden. Met enige moeite wrikte het echtpaar de steen
eraf. Hij zat lelijk vastgevroren. Ondanks de kou kwam er een duivelse
lucht uit de put. Willem keek naar zijn geliefde potten. Als hij alleen
was geweest, was hij ongetwijfeld terug gegaan. Aagje wreef de potten
nog een keer flink op. Daardoor dachten archeologen later dat ze er
warm in gegooid waren. Wisten zij veel. De drab sloot zich vanzelf. De
beerput niet. De zware steen liet zich maar moeilijk manoeuvreren. Moe
vingen ze de terugtocht aan. Gelukkig zag Willem niet dat achter de
muur van de kapel een gootspook hen ongeduldig nakeek.
Ze waren nog maar nauwelijks weg of
die kwam tevoorschijn. Snel ging zij naar de put. Met een flinke stok
schoof zij de steen opzij. En met diezelfde stok roerde zij in de
Agnietenpoep. Zo fijn als maar zijn kon. Haar stok stootte al snel op
de grootste pot. En die viste zij met veel moeite uit de put. Druipend
stond hij voor haar. De druppels bevroren direct op de grond. Dat
deerde het gootspook niet. Zij wrikte het vieze ijs er af en opeens
glom de pot alsof hij zojuist door Aagje gepoetst was. Dat kon helemaal
niet want die lag net in bed.
Het gootspook strooide wat poeder in
de pot, met wat steentjes en schonk er een halve fles wijn bij. En op
de plek, tweederde tussen het kwart van de halve lengte van de afstand
tussen de Agnietenkapel en het koor van de Sint-Maarten, hier precies
op deze plek, begon de pot plotseling te borrelen. Er verscheen een man
met een werkjas, wat donker, grijzig haar en een bril. Achter zich aan
trok hij een apparaat waar we pas veel later van wisten dat het een
betonmolen was. Hij overzag het tafereel en legde alles vast in zijn
geheugen. Even dacht hij erover om er elke week een schilderijtje van
te maken maar dat leek hem te gek. Dat kon later nog wel.
Het gootspook bleek
allervriendelijkst te zijn. De betonman werd uitgebreid voorgelicht
over de bronzen pot met de magische krachten. En het verhaal dat uit
deze pot alle Zaltbommelse gootspoken komen, ging er in als koek. Van
deze pot, zo sprak het gootspook, van deze pot maakte ik destijds de
kraampot. Met poeder, wijn en wat steentjes maak ik dan gootspoken,
Zaltbommelse gootspoken. Het zullen er tientallen worden. Let maar eens
op! En de betonman dacht na. Hij dacht diep na, dit verhaal raakte hem,
dit verhaal greep hem. Hij zag het voor zich. Kijk, daar!